LEGALE ZAKEN

Zakelijk nieuws / Juridisch perspectief

Thema

Onderneming:

Wel of geen overgang van onderneming?

Begin deze maand heeft de Kantonrechter bij de Rechtbank Midden Nederland zich uitgesproken over een mogelijke overgang van onderneming in de fietswinkel-branche. De feiten van deze zaak waren als volgt. Werkneemster trad op 1 maart 2015 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) een VOF. De vennoten van de VOF waren de vader en jongere zus van werkneemster. De activiteiten van VOF bestonden uit verkoop en onderhoud van fietsen.

De resultaten van de VOF liepen in de loop der jaren fors terug en derhalve diende de VOF een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen in bij het UWV. De VOF legde aan de aanvraag ten grondslag dat zij het voornemen had om de onderneming per 1 april 2022 te staken vanwege haar schuldenpositie en vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van één van de vennoten (de vader van werkneemster). Het UWV verleende toestemming voor ontslag waarna de VOF de arbeidsovereenkomst met werkneemster opzegde per 22 april 2022.

In de tussentijd was echter een B.V. opgericht en deze B.V. was haar activiteiten gestart op 1 april 2022 en richtte zich (ook) op de verkoop en onderhoud van fietsen. Werkneemster stelde zich derhalve op het standpunt dat er – al vóór 22 april 2022 – sprake was van een overgang van onderneming. Hierdoor was zij van rechtswege in dienst gekomen bij de B.V. en diende de B.V. haar (achterstallig) loon te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde zou komen, aldus de werkneemster.

Geschil bij de rechter

Het geschil bij de rechter spitste zich allereerst toe op de vraag of inderdaad sprake was van overgang van onderneming. Op grond van het bepaalde in artikel art. 7:662 Burgerlijk Wetboek is sprake van een overgang van onderneming, als er een overgang plaatsvindt van een economische eenheid die haar identiteit behoudt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU staat het ontbreken van een contractuele band tussen vervreemder en verkrijger aan een overgang van onderneming niet in de weg. Beslissend is of de ‘identiteit van het bedrijf’ bewaard is gebleven.

Met het oog daarop moet worden onderzocht of het gaat om de vervreemding van een lopend bedrijf, hetgeen met name kan blijken uit het feit dat de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsmiddelen. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden.

De kantonrechter oordeelde in deze kwestie dat voldoende was komen vast te staan dat (een deel van) de ondernemingsactiviteiten van de VOF feitelijk vanaf 1 april waren voortgezet door de B.V. Daarbij vond de kantonrechter van belang dat (i) de gevoerde fietsenwinkel zonder onderbreking en met gebruikmaking van dezelfde bedrijfsmiddelen door de B.V. was voortgezet in het tot die datum door de VOF gebruikte pand, (ii) de B.V. de voorraad van de VOF had gekocht, (iii) de B.V. gebruikmaakte van het vaste klantenbestand van de VOF en (iv) een deel van het personeel van de VOF was overgegaan naar de B.V. Het voorgaande bracht volgens de kantonrechter mee dat er sprake was van overgang van onderneming.

Rechten en plichten overgegaan

Door de overgang van onderneming waren de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen de VOF en werkneemster overgegaan op de B.V. Het gevolg daarvan was dat werkneemster met ingang van 1 april 2022 in dienst was getreden bij de B.V. Na de overgang van de onderneming rustte op de B.V. onder meer de verplichting tot het betalen van het loon aan werkneemster.

Volgens de kantonrechter waren de volgende verzoeken toewijsbaar: (i) betaling van het loon over mei en juni 2022, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en wettelijke rente, (ii) betaling van de tot 1 juli 2022 opgebouwde vakantietoeslag, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en wettelijke rente, (iii) het verstrekken van een deugdelijke bruto/netto specificatie van het nog te betalen loon over mei en juni 2022 en (iv) betaling van de € 2.354,45 netto aan onterecht ingehouden loon over februari 2022, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en wettelijke rente.

Deze uitspraak laat zien dat het loont om eerst goed de mogelijke gevolgen te onderzoeken wanneer een onderneming of een deel daarvan wordt overgenomen. Een risico is dat werknemers van rechtswege mee overgaan. Contractuele bepalingen die dat uitsluiten zijn nietig.

Door: Fraukje Panis & Fleur Saraber

Eerdere Berichten

Delen:

Twitter
LinkedIn
Email

Overzicht pagina:

Thema

Onderneming:

Wel of geen overgang van onderneming?

Begin deze maand heeft de Kantonrechter bij de Rechtbank Midden Nederland zich uitgesproken over een mogelijke overgang van onderneming in de fietswinkel-branche. De feiten van deze zaak waren als volgt. Werkneemster trad op 1 maart 2015 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) een VOF. De vennoten van de VOF waren de vader en jongere zus van werkneemster. De activiteiten van VOF bestonden uit verkoop en onderhoud van fietsen.

De resultaten van de VOF liepen in de loop der jaren fors terug en derhalve diende de VOF een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen in bij het UWV. De VOF legde aan de aanvraag ten grondslag dat zij het voornemen had om de onderneming per 1 april 2022 te staken vanwege haar schuldenpositie en vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van één van de vennoten (de vader van werkneemster). Het UWV verleende toestemming voor ontslag waarna de VOF de arbeidsovereenkomst met werkneemster opzegde per 22 april 2022.

In de tussentijd was echter een B.V. opgericht en deze B.V. was haar activiteiten gestart op 1 april 2022 en richtte zich (ook) op de verkoop en onderhoud van fietsen. Werkneemster stelde zich derhalve op het standpunt dat er – al vóór 22 april 2022 – sprake was van een overgang van onderneming. Hierdoor was zij van rechtswege in dienst gekomen bij de B.V. en diende de B.V. haar (achterstallig) loon te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde zou komen, aldus de werkneemster.

Geschil bij de rechter

Het geschil bij de rechter spitste zich allereerst toe op de vraag of inderdaad sprake was van overgang van onderneming. Op grond van het bepaalde in artikel art. 7:662 Burgerlijk Wetboek is sprake van een overgang van onderneming, als er een overgang plaatsvindt van een economische eenheid die haar identiteit behoudt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU staat het ontbreken van een contractuele band tussen vervreemder en verkrijger aan een overgang van onderneming niet in de weg. Beslissend is of de ‘identiteit van het bedrijf’ bewaard is gebleven.

Met het oog daarop moet worden onderzocht of het gaat om de vervreemding van een lopend bedrijf, hetgeen met name kan blijken uit het feit dat de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsmiddelen. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden.

De kantonrechter oordeelde in deze kwestie dat voldoende was komen vast te staan dat (een deel van) de ondernemingsactiviteiten van de VOF feitelijk vanaf 1 april waren voortgezet door de B.V. Daarbij vond de kantonrechter van belang dat (i) de gevoerde fietsenwinkel zonder onderbreking en met gebruikmaking van dezelfde bedrijfsmiddelen door de B.V. was voortgezet in het tot die datum door de VOF gebruikte pand, (ii) de B.V. de voorraad van de VOF had gekocht, (iii) de B.V. gebruikmaakte van het vaste klantenbestand van de VOF en (iv) een deel van het personeel van de VOF was overgegaan naar de B.V. Het voorgaande bracht volgens de kantonrechter mee dat er sprake was van overgang van onderneming.

Rechten en plichten overgegaan

Door de overgang van onderneming waren de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen de VOF en werkneemster overgegaan op de B.V. Het gevolg daarvan was dat werkneemster met ingang van 1 april 2022 in dienst was getreden bij de B.V. Na de overgang van de onderneming rustte op de B.V. onder meer de verplichting tot het betalen van het loon aan werkneemster.

Volgens de kantonrechter waren de volgende verzoeken toewijsbaar: (i) betaling van het loon over mei en juni 2022, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en wettelijke rente, (ii) betaling van de tot 1 juli 2022 opgebouwde vakantietoeslag, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en wettelijke rente, (iii) het verstrekken van een deugdelijke bruto/netto specificatie van het nog te betalen loon over mei en juni 2022 en (iv) betaling van de € 2.354,45 netto aan onterecht ingehouden loon over februari 2022, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en wettelijke rente.

Deze uitspraak laat zien dat het loont om eerst goed de mogelijke gevolgen te onderzoeken wanneer een onderneming of een deel daarvan wordt overgenomen. Een risico is dat werknemers van rechtswege mee overgaan. Contractuele bepalingen die dat uitsluiten zijn nietig.

Door: Fraukje Panis & Fleur Saraber

Eerdere Berichten

Delen:

Twitter
LinkedIn
Email

Overzicht pagina:

Privacy Cookies

Leuk dat u er bent. Nog even dit:

LEGALE ZAKEN maakt gebruik van cookies om het gebruik van de website te analyseren, om het mogelijk te maken content via social media te delen. Deze cookies worden ook geplaatst door derden. Wij gaan zorgvuldig met uw privégegevens om. Klik op ‘lees verder’ voor uitgebreide informatie.

Door deze melding weg te klikken of gebruik te blijven maken van deze site stemt u hiermee in. 

Privacy Cookies

Leuk dat u er bent. Nog even dit:

LEGALE ZAKEN maakt gebruik van cookies om het gebruik van de website te analyseren, om het mogelijk te maken content via social media te delen. Deze cookies worden ook geplaatst door derden. Wij gaan zorgvuldig met uw privégegevens om. Klik op ‘lees verder’ voor uitgebreide informatie.

Door deze melding weg te klikken of gebruik te blijven maken van deze site stemt u hiermee in.